Arbeidsrecht

Berekening ontslagvergoeding oude stijl?

By februari 12, 2016 No Comments

Met spanning hebben de arbeidsrechtspecialisten onder  ons  uitgekeken naar uitspraken van kantonrechters vooral voor wat betreft de hoogte van de daarbij aan werknemers toegekende ontslagvergoedingen onder het vernieuwde arbeidsrecht. De meest opvallende recente zaak werd op 29 januari 2016 gewezen door een Kantonrechter van de Rechtbank Amsterdam (ECLI:NL:RBAMS:2016:400)

Er zijn al de nodige commentaren op deze uitspraak gegeven en de geïnteresseerde kan ook via bovengenoemde link kennis nemen van de gehele uitspraak.  Ik  wil mij beperken tot de essentie van de zaak.

Het betrof hier een ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever die het, indien de feiten juist zijn weergegeven in het vonnis, wel heel erg bont had gemaakt door de werknemer op alle mogelijke manieren het leven zuur te maken nadat eerdere pogingen waren gestrand  om van  hem af te komen. Een door het UWV geweigerd verzoek om een  ontslagvergunning op grond van bedrijfseconomische redenen en een eerdere op non-actiefstelling van de werknemer welke werd teruggedraaid met een vonnis ook nog eens op straffe van een stevige dwangsom had de werkgever al moeten “incasseren”. De werkgever gooide het daarna in een ontbindingsverzoek bij de kantonrechter over de boeg van een verstoorde arbeidsverhouding. Die was er zeker wel maar het merkwaardige van deze zaak nu is  dat de Kantonrechter die als “eenzijdig” beschouwde. Door de werknemer wordt (ondanks alle ellende die hij als werknemer moet ervaren) deze verstoring niet als zodanig ervaren aldus de Kantonrechter die voorts overweegt dat een verstoorde arbeidsverhouding “wederzijds” moet zijn,  althans “zichtbaar” moet zijn voor een eventueel succesvol beroep op BW 7: 669 lid 3 onder g. Hoewel de werkgever in casu overduidelijk  van alles te verwijten valt  lijkt het mij praktisch uitgesloten dat de werknemer nog in staat of bereid was om bij deze werkgever weer gewoon aan het werk te gaan alsof er wat hem betreft niets aan de hand was. Gelukkig voor beide partijen zag de Kantonrechter ook wel dat het zo niet verder kon waarna hij zich baseerde op hetzelfde artikellid maar dan onder h (welke ziet andere dan hiervoor genoemde omstandigheden waardoor de arbeidsovereenkomst zou moeten eindigen te weten:  realisatie van de op het ondernemersdoel gerichte arbeid door de werknemer is niet meer mogelijk )  en grijpt vervolgens (via een niet geheel begrijpelijke redenering) terug op de oude vertrouwde kantonrechtersformule en komt zo tot een ontbinding en een totale vergoeding (inclusief transitievergoeding) voor de werknemer  van € 60.000,00. Zoals u weet zijn rechters onafhankelijk en dus ook niet gebonden aan uitspraken van andere rechters zeker niet als deze gelijk in rang zijn en ik denk dan ook niet dat hiermee een trend is gezet , maar zeker is dat ook weer niet. Ik zie de uitkomst van het te verwachten hoger beroep met belangstelling tegemoet..

© 2019 van de wint